Historiek


SENSEI KASE'S INVLOED OP HET MODERNE SHOTOKAN KARATE SEDERT 1964

BODHIDARMA'5 INVLOED OP HET BOEDHISME IN DE VROEGE 6°EEUW

In de periode voor de 6°eeuw kon men niet spreken van een nobele of filosofische invloed in de krijgskunsten van het verre Oosten.  Uitsluitend de ruwste en hardste exemplaren van de maatschappij kwamen in aanmerking voor het gevecht en de oorlogsvoering.  Ridderlijkheid en hogere humane doelstellingen alsook levensbeschouwing werden niet betrokken.

 
Aanvang 6° eeuw kwam een Indische monnik naar China.  Hij ondernam deze lange reis om zijn visie op het Boedhisme te verbreiden.  Later noemde men deze visie: "Chan" (Japans: Zen).  Zijn naam was: Bodhidarma, of afgekort: Dharma.  Later werd hij in China gewoon "Damo" genoemd.  Hij kwam per schip in Guangzhou aan en reisde daama door het Noorden.  In die tijd reisden veel Indische monniken naar China om te missionneren.  Velen verzochten om audiëntie bij de Chinese keizer om op deze wijze steun te krijgen voor de bouw van kloosters en tempels.  Ook Damo vroeg aan de Chinese keizer voor een onderhoud, maar dit verliep weing positief.  Het ging hem niet om materiële zaken en ondersteuning, maar wel over zijn visie op het Boedhisme.  De keizer wilde een praktische regeling treffen met Damo, maar zover kwam het niet. Wijsheid kan men niet kopen, deze is rein, moeilijk te doorgronden en zeker niet door materiële handelingen te bereiken.  De raadselachtige antwoorden van Daruma maakten de keizer (Wu) woedend en Daruma verliet het paleis, met de bedoeling er nooit meer terug te komen.  Zen kan men niet kopen, maar bevindt zich in de waarneming van zijn eigen natuur. Damo verliet Nanjing en trok verder door China. Zo kwam hij (in 527) in het Boedhistische klooster van Shaolin aan (gebouwd in 495).  In Shaolin werden vele werken uit het Sanskriet in het Chinees vertaald.  De monniken werkten dag en nacht (shifts). Ze vertaalden meer dan 600 werken in hun taal.  Bij de aankomst van Daruma in het klooster, vreesde de abt dat de chan-Ieer van de nieuwkomer, die het leren uit boeken onnodig vond, het geloof van het klooster kon verstoren.  De abt verzocht Damo om niet meer in het klooster te wonen.  Damo zocht zich een grot uit als onderkomst en hij wilde bewijzen dat "de hoogste wijsheid niets met de orthodoxe uitvoering van rituele praktijken te maken had, noch met het vertalen in het Chinees van teksten uit het Sanskriet."

Hij begon iedere dag te mediteren gezeten voor een stenen wand van de grot. Na een tijd ontstond bewondering bij de monniken en gingen ze de "spirituele excentrieker" bezoeken in zijn grot.  Daruma bleef echter in meditatie en vermeed het gesprek.  Na een tijd kon de abt niet meer over de autoriteit van Daruma heenkijken.

Zo nam Damo zijn intrek in het Shaolinklooster als eerste patriarch van Chan (Zen).  Hij observeerde er de meditatie en de religieuze praktijken van de monniken.  Hun spieren waren zwak, hun lichamen krachtloos en zeker niet in staat om een zware mentale oefening te doorstaan.       -

Hoewel het oorspronkelijke Boedhisme uitsluitend op de redding van de ziel oogde, toonde Damo dat geest en lichaam niet van elkaar te scheiden zijn.  De eenheid van beiden moet gesterkt worden om verlichting (Satori) te kunnen bereiken.

De monniken wonnen gestadig aan psychische en fysieke kracht zodra Damo zijn versterkingsoefeningen invoerde.

Hij ontwikkelde twee reeksen oefeningen:de yi-jin-jing en de xi-sui-jing.

 
YI-JIN-JING: "Klassieke spier- en zenuwversterking"
Een complex van 12 Qi-gong oefeningen om het lichaam van de beoefenaar beweeglijk en krachtig te maken.

XI-SUI-JING: "Klassieke beenmerggroei"
Oefening voor meditatie en Ki-stroom

Het was een verzameling van innerlijke en uiterlijke oefeningen.

Vermoedelijk werd Damo op zijn reizen geïnspireerd door taoistische priesters, die de technieken reeds eeuwen gebruikten.  Ook werd hij beïnvloed door de yoga uit India.  In ieder geval vingen de monniken aan met de oefeningen dagelijks uit te voeren en te herhalen en werden gestadig krachtiger en gezonder.  Het streven naar innerlijke kracht en het intuïtieve genieten ervan gaven de monniken doorzettingsvermogen en uithouding, verbonden met het gevoel van verbeteren en mentale klaarheid. In tegenstelling met alle Boedhistische opvattingen bracht Damo het wezen van het nieuwe gestichte chan.

XI-JIN-JING===XI-SUI-JING

Nadat Damo in 536 (waarschijnlijk door vergiftiging) gestorven was, werden de oefeningen een vast bestanddeel van het kloosterleven en Zen werd een van de meest belangrijke stromingen van Azië.  Alhoewel yi-jin-jing en xi-sui-jing aanvankelijk oefeningen waren voor energetische en spirituele perfectie van monniken, werden zij later de basis van alle Aziatische krijgskunststijlen.

Na Damo's dood verzorgden zijn opvolgers de Chan-Ieer en het oefenen van de yi-jin-jing en xi-sui-jing in Shaolin.  Daarbuiten werden de qigong oefeningen niet gebruikt en bleven beperkt tot de taoistische stromingen.

Zo werd het Shaolin klooster vlug een buitenbeenlje onder de Boedhistische kloosters. De monniken werden met argwaan en wantrouwen door andere kloosters bekeken.

Als Zen in Japan werd ingevoerd, waren de qigong oefeningen zo goed als verdwenen.  In de 140 eeuw werd yi-jin-jing uitsluitend beoefend als onderdeel in de nieuw ontstane krijgskunsten.  De xi-sui-jing ging geheel verloren.

Eerst in de Qing-dynastie (1644-1911), waar de meesters in de krijgskunsten in geheime verbanden (Hui-Dang) tegen de mandsoes opkwamen, werd de oude leer van Damo opnieuw sterk verspreid.

Men kan stellen dat Chan reeds in zijn grondfase meer naar het taoisme gericht was en zich verder verwijderde van het Boedhisme.  Vooral in de bewegingsvormen was een uitwisseling tussen de Chan-aanhangers en de taoisten. Trouwens Damo zelf was sterk taoistisch geïnspireerd.

De impulsen die voor de krijgskunsten belangrijk waren, hebben dus zowel een Taoïstische als Boedhistische oorsprong.

INVLOED OP DE KRIJGSKUNSTEN

BOEDHISTISCHE QIGONG

 Indisch:             Yoga: weinig invloed.

 Tibetaans:        met yoga verwant en weinig invloed.

 Chinees:          sedert Damo verder ontwikkeld.

Oorspronkelijk: verzorgen en verder ontwikkelen van de geest en verbeteren van Karma.  Gezondheid, lichaamsverzorging en lichaamsoefening speelden toen een ondergeschikte rol.

TAOISTISCHE QIGONG

Deze kan men niet scheiden van de helende qigong.
Principe: De geest kan uitsluitend gecultiveerd worden als men leeft, en best een leven in gezondheid en welgevoelen.  Gekoppeld aan een spirituele verderontwikkeling van de geest, gebaseerd op de eenheid van: mens-natuur-tao.
Geest en lichaam zijn onscheidbaar en worden dus tegelijk geoefend. De taoïsten gingen meer openbaar oefenen, terwijl de Boedhisten meer terughoudend waren. Vooral het helende aspect evolueerde meer en meer. Daarom zijn bijna alle ji-jin jing en xi-sui-jing oefeningen sterk taoistisch beïnvloed en ook de krijgskunsten die daaruit ontstonden, zoals: tai-chi-chuang en ba-gua-chuan .... De taoïsten waren ook de enigen die hun ervaringen op papier zetten.

SHAOLIN INVLOED
Ook in het Shaolinklooster herleefde 500 jaar na Damo's dood de beoefening van yi-jin-jing en xi-sui-jing. Men begon die waarden in de Shaolin krijgskunsten in te voeren en als basis voor kamptechnieken te gebruiken.
Oorspronkelijk waren het 12 niet-krijgsgerichte oefeningen, begeleid met ademhalingstechnieken en een diepe geestesingesteldheid.  Later werden zij ingelast tussen gevechtsoefeningen (Chinees: Lu, Japans: Kata).  Het doel was de agressieve kamptechnieken wat uit te strijken en de Ki-stroom niet te blokkeren. Zo werden ze in latere stijlen overgeleverd en bestaan nu nog in de verscheidene kampkunstvormen.

OPMERKINGEN 

HUI-DANG
Het was een geheim genootschap in China dat teruggaat naar de "vijf ouden".  Met de vijf ouden bedoelt men in de chinese kampkunsten de vijf ShaoJin patriarchen, die de Mongoolse aanval in 1673 op het Shaolinklooster overleefden.  Zij organiseerden de daaropvolgende 200-jarige weerstand tegen de Mandsjoes en waren de voorvaders van de beruchte Triaden; een geheime groepering, die heden nog actief is, maar meer betrokken is met kriminaliteit.  Deze vijf hebben de grondslag gelegd van de vijf grote kung-fu stijlen die heden nog beoefend worden: Hung-gar, Uu-gar, Mok-gar, U-gar en Choy-gar.  De Chinese krijgskunsten hebben zich jaren ontwikkeld in geheime genootschappen en zijn zo tot ons gekomen.

KARMA
Niet te verwarren met: "noodlot".

Eerder een verband tussen : Oorzaak-werking-gevolg.

SENSEI FUNAKOSHI - SENSEI YOSHITAKA - SENSEI KASE

Toen Sensei Funakoshi naar Japan kwam in 1923, had hij een ruime bagage mee van het karate in Okinawa. De mysterieuze omstandigheden, waarom deze man emigreerde uit Japan, hadden zeker niets te maken met een nobele taak om het karate in Japan te gaan verbreiden.

Hij leefde in armoede en onderhield zichzelf door poetsopdrachten te vervullen om in zijn onderhoud te voorzien.

Deze periode van soberheid liet Funakoshi toe om de rijke budo-ervaring van Japan te observeren en er zijn conclusies uit te trekken.

Hij was pedagoog (onderwijzer in Okinawa) en wist in de periode van 1923 tot 1940 een sterke wijziging in te brengen in het Okinawa-karate.

Dit werd in extreme mate en zeer intensief overgenomen door zijn zoon Yoshitaka, gedurende de 2°wereldoorlog. Yoshitaka stelde het karate, in tegenstelling met zijn vader, ten dienste van de militaire regering (sedert 1943).

Hoe dan ook; het karate kende in die periode een enorme evolutie, gericht naar realiteit en efficiëntie.

In 1944 kwam sensei Kase, als jonge persoon, in contact met deze fundamentele ommekeer in het karate en was zo begeesterd dat hij onuitgesproken geraakte over de invloed die deze periode op hem had.

 
Sensei Yoshitaka stierf jong, zijn vader nam terug de begeleiding van de instructie over en toen deze ook kwam te sterven, sloot sensei Kase zich aan bij de instructie van de jonge ontstane JKA (1949).  Vanaf 1957 was sensei Kase sterk betrokken bij de instructorcourses van de JKA en betekende veel in de opleiding van o.a. senseis Enoeda en Shirai.

Toen in 1964 sensei Kase besloot om naar het buitenland de instructie te gaan ondersteunen, nam hij tevens het besluit om de evolutie van het Shotokan karate verder te bestuderen en te laten ontwikkelen.

Hij bestudeerde verschillende pedagogische systemen en verdiepte zich in de studie van bestaande gegevens over Budo.  Kendo, Shintoïsme, Judo, Taoïsme, zelfs astrologie werden door hem in stilte bestudeerd om vergelijkingspunten te vinden met de karate-instructie.

 
Op woensdag 26 juli 2000, op de 5 daagse stage in Andorra, in aanwezigheid van een zeventigtal ervaren karate leraren gaf sensei Kase een beeld van zijn ideeën in verband met zijn evolutie en instructie sedert 1964.

EVOLUTIES

Eerste evolutie:

Funakoshi kwam naar Japan en vergeleek het karatesysteem van Okinawa met het Kendo- systeem uit Japan.  Na de Tokugawa periode was er ongeveer 300 jaar vrede in Japan. De oorlog was voorbij en men had meer tijd om techniek te verbeteren.

Grote technieken werden ontworpen (O-WAZA) om kracht en snelheid te ontwikkelen.

O-WAZA stond voor: amplitudo, kracht, snelheid.

KO-WAZA (korte technieken) zijn te moeilijk in het begin en leiden tot verkrampte technieken.

MEN MOET DUS EVOLUEREN VAN OWAZA NAAR KOWAZA.

Tweede evolutie:

Sommige basistechnieken werden goed en dikwijls gebruikt, maar andere werden minder ontwikkeld, zoals de open-handtechnieken.

Sensei Kase besloot daarin verandering te brengen en bracht meer ontwikkeling in het gebruik van de open hand; zowel in verdediging als in aanval.

De afweer werd omgebogen tot aanval, om schade toe te brengen aan de tegenstander.  De beentechnieken waren oorspronkelijk zeer eenvoudig en kregen door sensei Kase een andere dimmensie, bvb. ushiro geri. (Vroeger uitsluitend rugwaarts toegepast en nu draaiend.)

Derde evolutie:
SEI- TE waza laten overgaan naar HEN-TE waza.
SEI-TE: een techniek met arm of been.

HEN-TE: meerdere technieken met een arm of been.

We hebben 2 armen (2 benen).

Principieel: 1 afweer, 1 tegenaanval.


Deze technieken worden uitgevoerd met 2 armen.
Nieuwe evolutie: 1 arm werkt als 2 armen.

2 technieken (nidan waza) of 3 technieken (sandan waza ) met één arm (of been). Zo komt men in plaats van tot 2 technieken tot 4 à 6 technieken.


Dit principe haalde sensei Kase uit de denkwijze van Muramotu Musaishi (Go rin nosho), die ook steeds zijn 2 zwaarden gebruikte en niet tweehandig 1 zwaard, zoals de traditie voorschreef.

Bvb. Afweer: jodan-chudan, Tegenaanval: jodan-chudan.

Vierde evolutie:

Timing van de afweer:

Traditioneel wordt een afweerbeweging uitgevoerd op het einde van de aanval.

Toen Okuyama aan Kase sensei vroeg om de regen te observeren, wist deze niet wat hem overkwam. Kase zat een lange tijd te kijken, niet wetend juist waar naartoe.  Toen hij wilde ophouden, vroeg Okuyama om nog even vol te houden.

Kase begon stilaan de regendruppels te onderscheiden en kon na verloop ook het traject van een druppel volgen. Zijn ogen geraakten gewoon aan het zien van bepaalde onderdelen, facetten van bewegingen.

Zo ook moeten we niet een aanval, of een beweging bekijken van zijn start tot zijn einde, maar wel van zijn initiatief in de geest tot zijn start; van zijn start doorheen zijn traject, en van zijn aankomst tot zijn doordringen. 
De aanval moet men leren observeren in verschillende fasen; de start gekoppeld aan het initatief.

Het eerste 1/4 van het trajekt.

Het tweede 1/4 van het trajekt.

Het derde 1/4 van het trajekt (ideaal moment van de afweer)

De aankomst van de techniek.

De afweer moet ten laatste komen op de 3/40 timing en niet op het einde, waar de kracht 100% is en in volle focus.  Uiteindelijk zijn het de ogen die moeten werken en tenslotte het gevoel.

TIMING OGEN GEVOEL.

Hierdoor komt men tot andere dimmensies zoals: "TO-A TE en DE-Al.

Het DE-Al principe wordt meestal getraind als tegenaanval met Kisame tsuki, maar dit principe kan beter worden aangewend bij de afweer.

Vijfde evolutie:

De ademhaling is het vitale en energetische onderdeel van de techniek en de actie.  Vooral het gebruik van de buikademhaling of, de vertikale ademhaling is zeer belangrijk.  Men gaat meer en meer het middenrif gebruiken en alzo het Haragebied betrekken met de beweging.  Vooral technieken zoals; sandan en nidan waza stimuleren enorm het hara gebied en aldus ook de KI-stroom.

Uiteindelijk is het hierdoor dat men tot een ander niveau geraakt en boven de techniek uitstijgt.

Besluit:

 

Het Shotokankarate kende een sterke evolutie van 1923 tot 1946. De ontwikkeling die Funakoshi Gishin en zijn zoon Yoshitaka aan het karate gaven was immens.

Met de stichting van de JKA in 1949 werd een fundamentele structuur aan het karate gegeven en werd een basistechniek en methodiek vastgelegd.

 

In 1964 verliet sensei Kase Japan.

Tussen 1950 en 1964 werd alles vastgelegd en aldus conservatief behouden.

Sensei Kase wilde terug aangrijpen in 1946, zonder de vastgelegde waarden van sensei Nakayama te verloochenen.

De trainingsprincipes van het JKA-systeem zijn zeer goed tot op een bepaald niveau.  Men dient echter niet stil te staan.

Verderzoeken, creatief zijn en experimenteren als uitdaging leidt tot nieuwe ontdekkingen en ten slotte tot waardevolle ervaringen.

De essentie van "KARATE" bestaat in de "lege hand".

Dirk Heene
Vertaling: Martina Vantournhout.

 

Belgische Karate Shotokan Academy